Taal: Zinsbouw

Zinnen beginnen meestal niet met “Ik”.

“Ik ben verdoemd!” –> “Verdoemd ben ik, oh hemel!”

Verder wordt er zoveel mogelijk vergeleken. Bijvoorbeeld met de natuur en met andere tijden en locaties:

“Ik heb zin om haar te zien” –> “Als een vederlichte vogel voel ik mij, bij de gedachte aan haar aangezicht.” (vergelijking met natuur)

“Ik heb honger” –> “Was er ooit een maal zo groots? Nimmer voelde ik méér lust tot eten. Voorwaar, mijn vriend, ik zeg je, mijn maag is mijn maag niet meer, zij draait en tolt bij het zien van deze maaltijd.” (vergelijking met andere tijd)

“Wat een mooie kamer” –> “Welk een oogstrelend verblijf, als een zuidelijk oord waar zoete geuren elkaar verdringen.” (vergelijking met andere locatie)

(voorbeelden zijn overigens van mij, niet van Shakespeare)

Verder kun je je bij elke zin afvragen hoe je het uitgebreider kan zeggen. Bijvoorbeeld als de wachter in Hamlet vertelt wanneer hij de geest van Hamlets vader zag:
“Die laatste nacht, toen gindse ster, ten westen van de pool, al wentelend dat hemeldeel verlichtte […], de klok sloeg één.”