Speelstijl

Er zitten veel monologen in Sh. stukken. Er zijn verschillende soorten:

  • 1 persoon op toneel die in een lange monoloog zijn zieleroerselen blootlegt. Dit is dan een hoofdpersoon. Beroemdste voorbeeld: Hamlet met de To be or not to be monoloog. Maar ook de opening van Richard III waarin de hoofdpersoon zijn snode plan ontvouwt.
  • Meerdere personen op toneel en 1 ervan spreekt in een terzijde zijn ware gedachten uit. Dit kan ook heel kort, zelfs binnen een zin kun je er uit- en weer inschieten.
  • De stukken werden door mannen gespeeld, ook de vrouwenrollen. Wij kunnen dus alles crossgender spelen. Mannen kunnen vrouwen spelen én vrouwen kunnen mannen spelen.

    We gaan oefenen met onder meer zwaardvechten, schermen en paardrijden. Gemimed wel te verstaan…
    Hier zie je een YouTube filmpje van de beroemde scherm-scene uit Hamlet.
    Een schermduel is een geformaliseerd gevecht met allerlei regels. Zo is daar de uitgangspositie ‘En Garde’ en de loper waarop de 2 heen en weer bewegen. Je scoort punten door de ander te raken (touché!). Een scherm-scene kun je verwachten aan het hof. Een zwaardgevecht eerder in een bos of in een oorlogssituatie. Dramatisch sterven gebeurt bij een zwaardgevecht en niet bij schermen. Tenzij de punt van de degen in vergif is gedoopt, zoals bij Hamlet.

    Objecten mimen we. We hebben ervoor gekozen niet met rekwisieten te werken.

    Kleren als wijde jurken met balijnen en mantels kun je mimen. Houd je handen verder van je lijf / til je jurk op als je gaat zitten, of gooi zgn. je mantel over je schouder.

    Het is zgn. geregisseerd dus we bewegen en praten alsof alles een door een regisseur opgelegde keus is. Geen impro-typisch-gedrentel dus, tenzij het heel erg bij je personage past (bijv. een nar). Denk aan lange lijnen, spaarzame bewegingen van hoofd en ledematen, zeker bij de edele lieden.

    We staan op toneelafstand dus dat is verder van elkaar dan we bij impro doorgaans doen. Als je een tragedie speelt en je gaat ook nog eens dicht bij elkaar staan is het net een soap. Zeker als je nog in je gewone spreektaal zit.

    De taal doet je al snel vervallen in verhevenheid. Met hoge stem, dragend uitgesproken zinnen. Als alle personages dat de hele show doen dan wordt het heel naar. We gaan dus oefenen op het tempo maken met de taal. Nu vertragen we natuurlijk nog doordat het allemaal nieuw is.

    Er wordt veel herhaald. Belangrijke plotlijnen, maar ook namen! Zodat iedereen het goed meekreeg (het gewone volk stond in het theater op de begane grond lekker te kletsen tijdens de voorstelling). Herhalen, herhalen, herhalen dus. Goed voor ons impro-ers!

    Maar dit wordt nog verder overdreven. Bij impro leer je dat je niet hoeft te vertellen wat je al ziet, en niet hoeft te spelen wat al is verteld. Bij Shakespeare is het juist vaak dubbelop.

    Er wordt veel gepraat over acties die nog lang niet plaatsvinden. Als er een snood plan wordt geintroduceerd dan zal dat plan pas scènes later uitgevoerd worden. Ook anti-impro dus!

    Niet alles kon je op toneel laten zien. Grote legeraanvallen bijvoorbeeld. Daar werd dus achteraf over verhaald door bijvoorbeeld een boodschapper.

    De stukken zijn geschreven in de 16e/17e eeuw. Ze spelen soms in nog veel vroeger tijden. Hoe dan ook zijn er geen fietsen en magnetrons.

    Spelen we wel of niet een parodie? Ten eerste: Het toch wel een parodie. Maar dat wil niet zeggen dat je als insteek de parodie neemt. We kunnen het echt proberen en dan wordt het een parodie…